Voorpublicatie uit: Het lange pad - Emiel Garstenveld

20 augustus 2026

Te Araroa: drieduizend kilometer van Cape Reinga op het Noordereiland naar Bluff op het zuidelijke eiland van Nieuw-Zeeland. Eén man, één rugzak, vier maanden alleen met zichzelf tijdens een van de zwaarste wandeltochten ter wereld. Emiel Garstenveld schreef in Het lange pad over zijn ervaringen. Wij mogen een voorpublicatie tonen! 

Uit: Het lange pad – Emiel Garstenveld
ISBN: 9789062224463
Uitgeverij Volt 

De vuurdoop - p21-26

Lucas en ik komen rond het middaguur aan bij Twilight Beach, waar dan al een paar tenten staan. Het is oktober, en de zon gaat vroeg onder, dus lange dagen zitten er niet in. Het pad vanaf Cape Reinga was relatief kort maar uitdagend: heuvels met zanderige grond, ruiger dan de duinen thuis, met struiken die aan mijn broek bleven haken. 

Het kamp groeit die middag tot een groep van zo’n twintig man: een Australische influencer die constant foto's maakt, een Deens gezin met twee tieners die de zwaarste delen van de tocht zullen overslaan, een relaxte Venezolaan met een brede glimlach, twee Franse chef-koks die eruitzien alsof ze een feestmaal gaan maken, en twee kiwi's die hun eigen land willen ontdekken. Een bont gezelschap al met al. Iedereen heeft weer andere spullen: de één een stevige tent, de ander een ultralicht exemplaar. Terwijl de zon ondergaat aan de horizon, klets ik wat. De golven rollen rustig het strand op, de lucht kleurt rood en paars. Een serene start die contrasteert met wat ons nog te wachten staat.

Morgen wordt het serieus: dertig kilometer over Ninety Mile Beach. Onder wandelaars gaat het verhaal dat die naam stamt uit de tijd dat de Britten hier nog de dienst uitmaakten. Zij deden er te paard drie dagen over om de afstand te overbruggen. En omdat een paard in Engeland gemiddeld zo’n dertig mijl per dag aflegt (waarbij 1 mijl gelijkstaat aan 1,6 km), rekenden ze voor deze uitgestrekte zandvlakte negentig mijlen. In werkelijkheid is de afstand trouwens ‘maar’ zo’n achtentachtig kilometer.

De gedachte aan al dat eindeloze zand maakt me nieuwsgierig, maar ook nerveus. Ik splits de etappe in mijn hoofd in drie keer tien, met pauzes om mijn benen te sparen. Lucas en ik zullen morgen samen starten, ieder op ons eigen tempo, en spreken af om bij de stops op elkaar te wachten. De wekker staat op vijf uur. Vroeg, maar nodig.

De volgende dag pak ik om half zes mijn rugzak in, mijn tent nog vochtig van de dauw, en om zes uur vertrekken we. Eerst door de duinen, waar de grond zacht is onder mijn schoenen, dan het strand op. Eb en vloed bepalen waar op het strand ik loop: hoger bij vloed, waar het zand mul is, lager bij eb, waar het steviger is. Het is harder dan ik denk, bijna een natuurlijke weg, en het lukt om een gemiddelde snelheid van vijf kilometer per uur aan te houden. Slow is smooth, smooth is fast, herhaal ik in mijn hoofd. Het is lekker weer, een frisse bries vanaf zee, wat bijdraagt aan het gevoel van een goede start.

[…]

Op dag drie zie ik steeds meer wandelaars eraan onderdoor gaan: dikke blaren, vellen huid los aan hun voeten, rood en rauw. Sommigen klagen over knieën en heupen; hun gezichten vertrokken van pijn. Ik schrik ervan. Dag drie en al zover heen, hoe houden ze dit vol?

Mijn defensieachtergrond komt boven. ‘Ik weet wat te doen met blaren,’ zeg ik tegen een paar wandelaars die kreunend op een boomstam zitten. Voor ik het weet, ben ik een wandelende ehbo-post. De voeten van een vent van één meter tachtig, honderdtien kilo zwaar, zijn een ravage. Het vel hangt los, een open wond met pus. Die redt het niet, denk ik, maar ik zeg het niet hardop.

Ik ontsmet, plak af, geef tips, en loop zelf daarna weer verder, alleen wat stijf in mijn kuiten. Ik raak aan de praat met Conor, een Ier met een zangerig accent en een ontspannen houding. Hij loopt ook alleen en stelt voor om samen met Lucas en mij verder te gaan, de komende periode. In elk geval door het Raetea Forest, een etappe waarvoor iedereen waarschuwt. ‘Lijkt me gezellig,’ zeg ik, en hij grijnst.

Deze strandetappe eindigt op een camping bij het stadje Ahipara, een eenvoudige plek met een paar picknicktafels en een zanderig grasveld. Vandaar is het nog vijftien kilometer terug naar Kaitaia, over asfalt. We besluiten door te lopen. In totaal zijn we die dag tien uur in beweging, een lange tocht die mijn benen test. In Kaitaia worden we beloond. Er is een krakkemikkige wasmachine die we kunnen gebruiken, en we herstellen met een pizza die vettig maar hemels smaakt. Mijn lijf is dankbaar voor de calorieën.

Mijn handen zijn verbrand door de felle zon. Er staan witte blaren op de ruggen, tweedegraads brandwonden, op de plekken waar mijn wandelstokken wrijven. Locals lopen met lange mouwen en mutsen, en ik snap nu waarom. De zon brandt als een laser. Aloë vera en een koude cola van het tankstation helpen; de verkoeling is een kleine luxe. Terug in het hostel droog ik mijn tent, die nog naar zee ruikt, en bereid me voor op wat komen gaat.

cover

Uit: Het lange pad – Emiel Garstenveld

ISBN: 9789062224463
PRIJS: 22,99
Dit boek bestellen?

 

Altijd op de hoogte blijven?